Alexbal.jouwweb.nl
                                                     Preview
                    
                                            Autobiografie deel 2 
                                Sille heimwee naar Nieuw-Guinea   
                                               
 
 
1 Afscheid van het Paradijs
Manokwari, maandag 11 maart 1963
De vliegtuigmotoren van de Dakota laten flink van zich horen. Het toestel schudt op zijn wielen en lijkt alle kracht en moed te verzamelen om de sprong in de hoogte te gaan wagen.
De piloot kijkt ook nu weer bijna routinematig op de me­ters in zijn cockpit en wacht netjes op het startsein van de verkeerstoren van Rendani.   Het gevoel dat zich van mij meester maakt, is niet te beschrijven, de bevestiging van het definitief afscheid van mijn leven hier is aanstaande. Het voelt als sterven, weten dat het leven hier zo voorgoed voorbij is … De allerlaatste momenten, mijn afscheid van Manokwari is dan een feit. Mijn meisje en goede vriend zie ik nooit meer terug. Het besef, dat ik de komende beelden moet aanschouwen om die in mijn geheugen vereeuwigd te krijgen, dwingen mij met veel pijn en met ingehouden adem, een blik uit mijn raampje te werpen.  
Ronkend en schuddend vertellen de motoren mij op gruwelijke wijze dat we slechts seconden af zijn van vertrek, een vertrek zonder uitzicht op terugkeer. De pijn groeit, mijn hart bloedt en stokt in mijn keel …Op dezelfde wijze, wel in gezelschap, gingen familie, vrienden en nog vele anderen mij al voor. Toen nog redelijk veilig en onder de hoede van de Nederlandse instanties. Dat dit moment ook mij stond te wachten, was duidelijk. Dat de politieke balans zo snel zou omslaan had ik niet verwacht. Deze situatie heb ik immers niet eerder be­wust meegemaakt. Ja toen, als kind van 9 jaar, samen met mijn ouders vanuit Java, onder de sterke vleugels van mijn vader. Wellicht als laatste Indo verlaat ik nu Manokwari, besef ik. Verbannen uit het leven dat mij heeft gevormd! Iedereen is me voorgegaan.
Terwijl de massa vóór 1 oktober 1962 vertrok en de laatste achterblijvers in november en december 1962 halsoverkop het land verlieten ben ik nog gebleven. Niet om de held uit te hangen, nee!   Mijn werk, mijn meisje …, en de liefde voor Manokwari. Ik kon geen afscheid nemen, laat ik het daar maar op houden. Andere zaken speelden ook een grote rol, natuurlijk. Maar het belangrijkste was toch, dat ik nog niet aan een ander leven toe was. Wat heb ik in dat verre koude land te zoeken, dat land dat pretendeert mijn vaderland te zijn. Een eerlijk antwoord zou zijn, dat mijn familie en vrienden die richting uit zijn gegaan. Die band is sterker dan de reden dat Nederland historisch en genetisch  gezien mijn vaderland is. Het is toch al gebleken, dat het Indisch volk ‘een volk zonder land’ is.  
   Het is te hopen, dat wij ons in dat verre land thuis zullen voelen.Bijna zes maanden geleden begon de exodus. De grote leegloop heeft Manokwari bijna in een spookstad doen veranderen, de komst van de Indonesiërs en het Indonesisch leger hebben de toestand hachelijk gemaakt.   Het voelt dubbel. Het weerzien met de Indonesiërs bracht de historische band met mijn moederland sterk in mij boven, tegelijkertijd maakten de acties van het Indonesisch leger mij duidelijk, dat een langer verblijf niet langer meer zou worden getolereerd. Het voelt als een broer die mij het leven niet gunt. En dat nu ik mijn toevlucht moet gaan zoeken bij een land, dat mijn vaderland moet zijn, maar mij totaal vreemd is, maakt het dubbel bizar!  Nog even, dan ben ook ik veilig uit Manokwari vertrokken, met Biak als laatste hobbel. Daar zal, als alles goed gaat, het contact met Nieuw-Guinea mij worden ontnomen.  
   Vanaf het begin van de startbaan blijven Lien en Peter buiten beeld. Zij hebben geen keus, zijn gedoemd te blijven. Hun lot ligt hier in handen van de Indonesiërs. Zij zijn afhankelijk van de politieke ontwikkelingen de komende jaren. Beiden hebben zij geen Nederlandse status. Of dat ze een veilige toekomst garandeert zal de tijd ze leren. De twee, die mij zo aan het hart gaan, zal ik zeker gaan missen. In stilte wens ik ze nog veel succes.  De motoren laten nog meer van zich horen, nu nog één keer op volle toeren. De wielen rollen, het toestel komt in beweging en schiet voorruit … Als een razende adelaar gaat de Dakota tekeer en ontdoet zich uiteindelijk van moeder aarde. Steeds sneller schiet mijn omgeving mij voorbij. ‘Ren­dani’ is op het dak van het gebouw, met de verkeerstoren in het midden, te lezen. Slechts enkele meters ontstijgt de verkeerstoren het dak van het eenvoudig, maar effectief gebouw.  
    Het gaat nu heel snel … Met een brok in mijn keel en mijn gezicht tegen de ruit van het raampje aan gedrukt zijn Lien en Peter heel even, als twee minuscule poppetjes waarneembaar. Ze zwaaien …, waarschijnlijk in de hoop dat ik ze wel zal zien. Dan verdwijnen ze uit beeld, voor goed …, de twee personen, die …   De brok in mijn keel is verstikkend, mijn ogen worden voch­tig, het beeld vertroebelt … Mijn zonnebril laat ik snel voor mijn ogen zakken, al zijn er geen bekenden in mijn buurt. Ik hoef me voor niemand te schamen.  Het toestel maakt snel hoogte en zwenkt richting Mano­kwari. Mijn leven glijdt onder me voorbij, ik blijf met mijn neus tegen het ruitje aangedrukt zitten. Het gevoel van eenzaamheid wordt sterker. Dit moet elke Manokwariaan vóór mij ook hebben gehad …  
   Manokwari wordt nu goed zichtbaar. De innemende dame met haar adembenemende landtongen, baaien en mooie witte stranden ligt zonnebadend onder me. In de draai komt het Arfakge­bergte in beeld. Het Arfakgebergte en Manokwari, samen wakend als trouwe zorgzame ouders over hun twee beeldschone kinde­ren, de eilandjes Lemon en Mansinam. De reden waarom ik zo van Manokwari ben gaan houden wordt me nu duidelijk.  
   De Fanindiweg, de slagader van deze stad ligt er eenzaam en verlaten bij, het leven is er weggeëbd. Scherp door de zon belicht, komen de mij zo bekende en dierbare plekken in beeld: de lagere school Klim en Daal, de Rooms Katholieke kerk met de Sint Vincentius School, de Militaire ka­zerne, het hotel, de tennisbaan, de haven, het postkantoor, de Soos en het Gouvernement gebouw, het ziekenhuis waar ik 40 dagen in heb gelegen, en Kam­pong Ambon... voor de laatste keer.De voor mij zo vertrouwde plaatsen trekken zich langzaam terug en verdwijnen uit beeld. Deze film zal voor altijd in mijn geheugen blijven gegrift! Het wegglijden van mijn vertrouwde grond bevestigt mij op een pijnlijke manier, hoe definitief dit afscheid is. Mijn leven hier is werkelijk voorbij en zal nooit meer terug komen. Lang heb ik dit voor me uit ge­schoven, iets te lang misschien, maar daar heb ik geen spijt van. In Mano­kwari lag immers mijn toekomst, mijn levens­droom. De politiek heeft zich de sterkste getoond en heeft mijn lot uitgesproken en beslist, dat mijn toekomst niet hier ligt …  
   Dan weet het mooie witte strand van Pasir-Putih nog net in beeld te piepen. Daar was ik gisterenmorgen nog, in mijn een­tje, om daar afscheid te nemen van mijn jeugdjaren. Die witte parel lacht me deze keer niet toe. Haar Prodent smile ontbeert. Met haar mondhoe­ken neergebogen wil ze mij iets duidelijk maken. Hier is het twaalf jaar geleden voor mij begonnen. Hier is vanaf mijn negende jaar mijn jeugd gevormd.Het einde van de film wordt voelbaar, de aftiteling zal niet lang meer op zich laten wachten. Weer is er die pijn in mijn hart, die brok in mijn keel ... Met weemoed neem ik afscheid … Pasir-Putih, mooi Pasir-Putih verdwijnt nu ook uit beeld, voorgoed. Ik zal je missen, altijd blijven missen…  
   Papoea’s en iedereen, die om welke reden dan ook achterblijven …, het gaat jullie goed! Dit land heeft mij met eenvoud mijn leven verrijkt. En nog bedankt voor je gastvrijheid!        
 
Afscheid van Manokwari
Afscheid nemen, nee steeds: ‘nog even’
Met gevaar soms voor eigen leven
Het afscheid was zwaar, eigenlijk niet te dragen
Vooral toen ik je langzaam zag vervagen
Afscheid voorgoed wie zal het weten
Een ding is zeker: ik zal je nooit vergeten!  
 
We vliegen boven zee. Het groen verdwijnt langzaam naar de achtergrond en vervaagt. Terwijl de zon in de spiegel onder ons schittert, laat het Arfakgebergte, de schatkist van de oermens, zijn grillige contouren nog wat langer van zich spreken.Als het blauw boven en onder ons slechts onderscheidt door een doorlopende scheidslijn zijn wij goed onderweg naar Biak, het eiland waar ik ook mijn sporen heb liggen.  
   Pas nu meldt mijn omgeving in het vlieg­tuig zich. Onder de passagiers, dat voornamelijk uit Chinezen en Indone­siërs bestaat, zijn geen Nederlanders te bekennen, laat staan beken­den. Dit bevestigt mij mijn lang uitgesteld vertrek.   De stoel naast mij is leeg gebleven. Voldoende ruimte voor mij om mezelf te zijn en alles in mijn eentje te verwerken.                 
 
Manokwari,Ik heb van je genoten van ’t begin tot het laatste uur
Snoof je schoonheid, je eenvoud, je pure natuur
Ook het ziekenhuis heb ik doorstaan
Na het komen, zorgde je daar weer voor mijn gaan
Tot het laatste uur heb jij je volledig gegeven
Mij leerde je de charme van eenvoudig leven
Jij kent als geen ander onze diepste geheimen
Weg is die tijd, gebroken tijden zijn niet meer te lijmen.
Toch blijf jij in mijn gedachten,mijn herinnering, die op mij blijft wachten!   
 
Manokwari blijft mij sterk beheersen. Er is heel veel veranderd. Iedereen is vertrokken, de meesten al langer dan zes maanden. Velen verdwenen zonder afscheid te nemen. Dit past alleen in een angstdroom… Bekende namen flitsen door mijn hoofd. Families die het karakter en gezicht van Manokwari bepaalden… Andreas, Kokkelink, Bladergroen, Gosewisch, Van Rooyen, De Vrede, Ungermann, Lapré, Tante Ang, Broers, Wagenmakers, Marks, Lit, Landman, Couwenberg, Bijten, Persijn, Severijn, Ketting Olivier, Van Groningen, Van Zanten, Assendelft, Sauselé, Legrand, Corver, Van Gelder… Het kan niet waar zijn. Al die mensen, die de hechte gemeenschap van Manokwari vormden zijn uit elkaar gescheurd, versnipperd, en naar een onzekere toekomst gedreven. Deels vertrokken zij, om het koude Nederland te ontlopen, naar het grote Australië waar zij hun droom nog hopen waar te maken. De pioniers, selfmade mannen en vrouwen, die met vallen en opstaan en hard werken Manokwari uit de grond hebben getrokken …, de kolonisten … Niets van dat alles is ongeschonden gebleven. Alles hebben ze moeten achterlaten … Australië en Holland zal ze nog heel zwaar vallen.  
   Mijn eigen toekomstbeeld kan ik nog niet helder krijgen. Een groot zwart gat gaapt mij nog tegemoet. Een nieuw leven ver over de plas beginnen, mag slechts uit vrije keuze zijn, wil je iets kunnen bereiken. Het feit, dat ik in Nederland van een baan bij de PIM verzekerd ben is het enige lichtpuntje, waar ik mij aan kan vasthouden. Maar hoe zeker kan ik van Nederland zijn, als ik zie wat er al met ons is gebeurd? Ik red me wel, ik ben nog jong, moedig ik mijzelf maar aan …  
 Aan de horizon van de gigantische spiegel onder ons doemt een vaag spatje groen op, het eiland Biak. Daar volgde ik bijna 3 jaar geleden nog een meteorologische opleiding, maakte kennis met de meteorologen Menick en Rodenburg, de weerwaarnemers en de andere jongens in opleiding. Samen met mijn neef Ferry Severijn had ik daar in het Gouvernement hotel mijn intrek.  
De band met mijn verleden komt boven, maar wordt weer weggedrukt doordat de aanzet tot landing voelbaar wordt. We vliegen wat lager, de bekende beelden die­nen zich steeds herkenbaarder aan. Het vliegveld Mokmer met aan de overkant het Meteo-gebouw, het KLM-hotel op loopafstand en de palmbomen als bakens tussen land en zee. Een rondje om het vliegveld vertelt ons, dat de lan­ding nabij is. Steeds lager vliegen we, tot een lichte schok het contact met moeder aarde dit bevestigt. De uitloop en de draai aan het eind van de start­baan verloopt bijna routinematig.    
   Dan taxiën we tot voor het gebouw van vliegveld Mokmer, de luchthaven die Nederlands Nieuw-Guinea met de rest van de wereld verbindt, voor zover je nog van Nederlands Nieuw-Guinea mag spreken. Gezien de huidige situatie zeker niet meer.  
Bij het verlaten van de Dakota is de stilte haast te beluisteren. Geen woordje Nederlands is te horen, geen Nederlander te zien.    
Het vlieghavenpersoneel bestaat voornamelijk uit Papua’s. Enkele Pakistaanse en Indonesische militairen kijken loom en ongeïnteresseerd om zich heen en vatten hun functie licht op. Mijn aanwezigheid ontgaat hen of boeit ze niet. Gelukkig.  
De kleine tas met daarin mijn filmcamera, papieren en wat toiletspullen zijn al mijn bezittingen, die ik mee heb, dus kan ik het gebouw direct verlaten.   Buiten sta ik oog in oog met het mij zo bekende Meteo-gebouw. De neiging om de meteorologen Menick en Rodenburgh en de andere oud-collega’s met een bezoek te verrassen wordt me ontnomen, door de wetenschap, dat ook zij intussen het land moeten hebben verlaten.Ik wandel naar het naastgelegen gebouw: het KLM-hotel. Hier moet ik me nog even zien te vermaken, totdat de echte grote reis gaat beginnen.   De middag verstrijkt. Een kolos van een DC-8 meldt zich met veel bombarie boven Biak. Dan wordt het tijd dat ik me op het vliegveld meld. Spannende momenten staan me weer te wachten, mijn tweede en definitieve afscheid is aanstaande.Met mijn tas in mijn hand begeef ik me naar de overkant, naar Mokmer Luchthaven. Het inchecken gaat gelukkig vlot en zonder problemen.  
De vier gewapende Indonesische en Pakistaanse Untea militairen kijken vol bewondering naar de moderne reus, die hun aandacht opslokt. Mijn aanwezigheid ontgaat de mannen volledig. Ook nu weer geen Nederlander te bekennen. Chinese en enkele Indonesische passagiers vormen het hele gezelschap.Voor het eerst in mijn leven, mag ik in zo’n indrukwekkend groot toestel stappen. Het is een heel ander categorie vliegtuig dan de Dakota waar ik tot dusverre mee gevlogen heb. Bijna helemaal achter in het toestel is voor mij een zitplaats gereserveerd, aan het raam en met vrij uitzicht.  
Het gaat niet al te vlot. Bijna een halfuur zitten we in het toestel, zonder dat er maar ook iets gebeurt. Zo te oordelen staat er een nacheck van passagiers ons te wachten. Het wordt nog spannend. Hopelijk verlopen de volgende minuten zonder problemen. Mijn papieren zijn in ieder geval wel in orde. Met een lijstje in de hand loopt de steward door het gangpad terwijl één van de militairen zich bij de uitgang van het toestel ophoudt. Een passagier wordt verzocht om met de steward mee te lopen. Wat daar de reden van is, wordt mij niet duidelijk.   En nog lijkt het erop dat ons vertrek niet aanstaande is. De passagiers worden over de vertraging in het ongewisse gelaten …  
   Even later komt diezelfde passagier onder geleiding van de steward weer het toestel binnen. Alles lijkt nu in orde te zijn! We kunnen vertrekken. 
Bij het stijgen komt het gevoel van afscheid nemen weer boven. Wij zijn nu werkelijk los. Mijn verleden glijdt onder mij weg, een nieuwe onbekende toekomst staat mij te wachten. De lichten van het bescheiden vliegveld Mokmer, de kleine stranden en donkere kokospalmen, klampen zich in mijn geheugen vast.  
Tegen een blozende hemel verdwijnt aan de horizon de rode vuurbol in de kobaltblauwe spiegelplaat onder ons. De dag is ten einde, symbolisch voor mijn leven hier. Het boek ‘Nieuw-Guinea’ is gesloten, terwijl het verhaal nog lang niet ten einde was, zal hooguit nog kunnen plaatsmaken voor ‘Stille heimwee naar Nieuw-Guinea’, wie weet!    Een lange vliegreis staat nog voor de boeg. De afstand tot Karachi is niet te peilen. Een stop in Singapore moet onze trip even onderbreken.
                                              =.=